Samen winkelen

Ik geef het ruiterlijk toe. Winkelen behoort niet tot mijn favoriete bezigheden. Alhoewel winkelen? "Samen winkelen" is wellicht beter gedefinieerd, want zelf mag ik met veel plezier enige tijd in een zaak van mijn keuze doorbrengen. Maar dan toch het liefst alleen.
Doe ik dat namelijk samen met mijn vrouw, dan ontwikkelen zich toch wat oneffenheden in onze, overigens ideale, relatie.
We mogen graag, zo af en toe, een leuke stad in ons mooie Nederland bezoeken. We pakken dan lekker de trein. Geen irritatie opdoen in eindeloze files of bij het zoeken naar een geschikte parkeerplaats. Neen, lekker zonder deze problemen onderweg een leuk boek lezen, naar een muziekje luisteren of gewoon het voorbij schietende landschap bewonderen en dan in de plaats van onze bestemming één of enkele bezienswaardigheden bezoeken.
Maar dan komt het.
In zo'n stad aangekomen blijkt het centrum nooit ver weg. Onze tocht voert dan langs eindeloze rijen winkels. En winkels zijn nu eenmaal heel divers. Zo zijn er winkels die op mijn oprechte belangstelling kunnen rekenen. Boekwinkels, computer- en fotozaken behoren daartoe. Ik zou er urenlang in kunnen neuzen en rondslenteren. Soms kan mijn lieve vrouw het dan nog wel opbrengen om mij dan even de tijd te gunnen. Heel even. Zij kiest dan een zodanige positie in de zaak dat, waar ik mij dan ook in de winkel bevind, het haast onmogelijk is om niet te zien hoe zij zich op dat moment verveelt. In plaats van mij eens heerlijk te verliezen in al datgene dat mij werkelijk interesseert ontstaat er dan al na enkele minuten een onrustig gevoel. Telkens weer gaat mijn blik naar haar om te moeten constateren dat zij zich op dat moment beslist niet vermaakt. En telkens weer besluit ik dan de weg naar buiten te zoeken, waarop mijn lieve vrouw opmerkt: "Heb je het nu al weer gezien?" Deze opmerking heeft overigens alleen maar ten doel de verantwoording voor het vroegtijdige verlaten van de winkel geheel bij mij neer te leggen. Het heeft dan niet aan haar gelegen.
Het kan haast niet anders of enkele meters verder passeren wij vervolgens een schoenen- of kledingzaak. Was dit passeren nu maar letterlijk, maar neen hoor, er volgt dan steevast een subtiele onderbreking waarbij zij opmerkt: "Mag ik even …… ." Een zin die zij niet af hoeft te maken, want de blik die zij mij dan toewerpt zegt genoeg. Die vertelt mij zonder woorden dat ik het niet moet wagen te protesteren, want was zij het niet die mij nog geen paar minuten geleden alle gelegenheid geboden heeft om een winkel van mijn keuze te bezoeken?
Het heeft trouwens geen enkele zin om te protesteren, want na die blik wacht ze mijn antwoord gewoon niet af en stapt de winkel van haar keuze binnen in de vaste overtuiging dat ik haar gedwee zal volgen. En dat is ook zo.
In den beginne meende ik haar nog wel met gelijke munt terug te kunnen betalen. Dan was ik degene die zich met een verveeld gezicht nabij de ingang posteerde. Dit had echter geen enkel effect. Zelf bleek zij heel goed in staat zich op al die mooie schoenen of kledingstukken te kunnen concentreren. En op die momenten bestond ik voor haar gewoon niet meer.
Ik moest dus wel van tactiek veranderen.
En ik meen de oplossing te hebben gevonden. Doe er uw voordeel mee zou ik zeggen!
Zodra mijn vrouw een willekeurig kledingstuk uit het rek ter hand neemt merk ik hard genoeg voor omstanders op: "De kleur van die legging past niet bij die van je krulspelden schat!"
Of: "Zou je die wel nemen? Deze kleedt niet zo slank af."
Ik heb inmiddels een eindeloos repertoire ontwikkeld. Bezoekt zij een schoenenwinkel dan doet de opmerking: "Ik heb al gekeken maar ze hebben hem niet in maat 44," het ook wel aardig.
Wat volgt is dan een woeste blik mijn richting op waarop zij nog sneller dan ik de uitgang van de winkel zoekt.
De dan volgende winkels passeren we echt. Tot haar boosheid jegens mij gezakt is. Dan zoeken we een leuk restaurantje of een gezellig terras.
Dan wordt zo'n dag uiteindelijk toch nog de moeite waard.

Cees

Me naam is Cees ….
Schrijf je het wel goed op? Het is Cees met een Cee en niet met een Kaa. Zullen de mense die dat leze natuurlijk wel Sees gaan zegge maar je spreekt het gewoon uit als Kees hoor.
Luister!
Van oorsprong kom ik uit Amsterdam. Uit de Pijp. Daar ben ik bij me ouders grootgebracht en daar heb ik later ook mijn koters groot zien worde. In de Gerard Dou, vlak bij de Albert Cuyp. Maar ja, toen ging me Cobie dood hè. Zat ik daar in mijn eentje. Kinderen al lang het huis uit. Ik heb er twee, een dochter en een zoon. Die dochter zie ik nooit. Daar heb ik mot mee. En die zoon, die woont al een tijd in Almere. Zegt ie tegen me: "Ouwe, dat is niks zo jij alleen hier. Almere, das pas een leuke stad voor oudjes! Ken je tenminste wone zonder een klap op je kop te krijge voor die paar tientjes in je portemonnee."
Ik had er niet zo'n trek in eerlijk gezegd, want ja, ik heb altijd in Groot-Mokum gewoond hè. Dacht altijd daar leg me Cobie en daar kom ik ook te legge.
Maar het joch hield aan. Was ook wel gemakkelijk zei ie. Dat was wat dichter bij. Konde we mekaar wat vaker zien. Nou, daar ben ik toen voor gezwicht hè. Al weer een jaar gelede ben ik ook hierheen gekome. In een verzorgingsflat hier in Almere-Buite. Daar gooie ze je dood mee met verzorgingstehuize hier. Op elke hoek staat er wel een.
Maar het heb niks geholpe. Zie em echt niet vaker as vroeger hoor. Komt hij woont op stand hè, in Almere-Have. Maar daar was zogenaamd niks voor me te vinde, zei ie. Zal wel gedacht hebbe, die ouwe moet het niet an kenne lope, want dan zit ie elke dag hier.
Maar begrijp me goed, ik heb geen spijt hoor. Het joch is ook best wel goed voor me. Als ik em zie tenminste. Maar ja, hij heeft het druk hè, met z'n baan.
Kijk, ik mis natuurlijk wel m'n loopje naar de Cuyp. Dat was toch altijd wel gezellig. Maar er is een hoop voor teruggekome als ik eerlijk ben. Almere is een nette stad. En in het huis? Iedereen is goed voor me! Komt der benne weinig manne hè. Haast allemaal vrouwe. D'r wordt gewoon om me gevochte ken je wel zegge. Kan me hele dag wel vulle met koffie drinke. Van de ene naar de ander. Nou ken ik liters van dat vocht op hoor, daar niet van. Maar ja, ze wille allemaal meer hè. En dat was vroeger niet zo'n probleem maar ik ben de jongste ook niet meer. Gaat wat moeilijker nu toch? Moet het dus beware voor hen die het echt verdiene zal ik maar zegge.
In de middag is het altijd met ze alle thee drinke bij ons in 't huis. Maar daar heb ik al lang niet meer aan meegedaan hoor.
Kijk, bij mijn in 't huis krijg je dan thee met een Maria-kaakje. Maar een paar blokke verder, daar kwam ik achter, daar wonen ze op sjiek.
Daar zitte ze dan te lurke met de pink omhoog en niks geen kaakie bij de thee, nee joh, een echt petietvoortje. Dus wat doe ik nou. Ik ga rond theetijd een blokje om en schuif gewoon in dat andere huis aan. Niemand die iets merkt. Nou ja, der was er eentje, zo'n bijdehante vrijwilligster, die vroeg me wie ik was. Maar ik dee net of ik doof was. Gaf steeds verkeerde antwoorde. En toen heeft ze me verder met rust gelate. Nou kenne ze me daar en niemand die nog wat aan me vraagt. Gaat natuurlijk goed zolang as 't goed gaat, maar van mij mag het nog wel even dure zo.
Nou, ik ga weer effe verder. Heb nog een adresje zal ik maar zegge.

Fietsen

Jaren geleden, toen mijn vrouw en ik beiden nog op de arbeidsmarkt werkzaam waren, schaften we ons een stel luxe, nieuwe fietsen aan. De belastingdienst nam een belangrijk deel van de kosten op zich en wij hadden toen nog een sportieve toekomst voor ogen. Sinds die tijd staat deze aanschaf nutteloos stof te verzamelen in het schuurtje achter onze woning.
Op donkere, winterse dagen beloofden we elkaar elk jaar weer opnieuw: “Als het weer deze zomer een beetje redelijk is, moeten we beslist eens wat fietstochtjes gaan maken.”
Echter, jaar na jaar werd de stoflaag op onze fietsen almaar dikker en dikker.
Afgelopen week was er een programma op TV dat ging over het eten van sprinkhanen en meelwormen. Dat dit zo gezond was en zo. Dit aanschouwende kon ik een rilling van afschuw niet onderdrukken. Ik weet niet precies waarom, maar mijn gedachten dwaalden af en gingen naar onze fietsen in de schuur. Mogelijk omdat de link van die enge beestjes op het scherm naar de talloze spinnen in de schuur vlug gelegd was. Met de bedoeling wat ruimte in de schuur te creëren door de fietsen op Marktplaats te koop aan te bieden maakte ik naar mijn vrouw de opmerking dat het toch wel zonde was dat het er steeds maar niet van kwam om een fietstocht te maken. In gedachten had ik al een mooie bestemming voor de opbrengst voor ogen, namelijk een uitbreiding van het glaswerk voor mijn fotocamera.
Weer wat geleerd!
Zo’n opmerking moet je namelijk niet maken als de weersvooruitzichten goed zijn.
Het gesprek kreeg daarom een wending die ik niet had voorzien en voor ik er erg in had was daar ineens de afspraak dat we de volgende dag een sopje over onze fietsen zouden gieten en daarna dan eindelijk eens dat al zo vaak beloofde tochtje zouden maken.
De volgende morgen verlieten de fietsen dan ook hun donkere hol. Ze werden schoongeboend en de banden werden van een verse teug lucht voorzien. Het uiteindelijke resultaat mocht er zijn. Twee glimmende, zo goed als nieuwe bikes.
Mijn opmerking dat het toch wel zonde zou zijn als de fietsen door het tochtje al zo snel weer vuil zouden worden had niet het door mij beoogde resultaat en na de lunch trokken we fietsend onze polder in, richting de nabij gelegen Oostvaardersplassen.
De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik in de loop van de rit steeds meer plezier kreeg. Het weer was schitterend en het landschap mooi.
“Dit moeten we vaker doen”, wilde ik mijn vrouw toeroepen, maar die zin werd nooit afgemaakt.
Een van rechts aanvliegend insect van onduidelijke herkomst stond op zijn voorrangsrechten en vloog door mijn geopende mond diep mijn keel in. Met, volgens mijn vrouw, overdreven veel geluid trachtte ik deze ongewenste gast naar buiten te hoesten. Ondanks de bijkomende braakreflexen had dit niet het gewenste gevolg. Voor het arme beestje zat er niets anders op dan de eenmaal door hem gekozen weg voort te zetten en rillend van afschuw slikte ik het door.
“Nu je deze eerste stap naar een gezond leven gezet hebt zal ik thuis gelijk wat sprinkhanen voor je frituren”, merkte mijn vrouw fijntjes op.
Dat de blik die ik haar hierop toewierp niet de vriendelijkste zal zijn geweest zal een ieder begrijpen.
Bij thuiskomst overheerste gelukkig weer het gevoel goed bezig te zijn geweest en we beloofden elkaar plechtig vanaf nu vaker met de fiets er op uit te trekken.

Het wratje dat steeds groter werd

Ongeveer een half jaar geleden begon het.
Op mijn voorhoofd, boven mijn rechteroog, dicht tegen de haargrens aan, was er plots een klein pukkeltje te zien.
Niet echt iets om je zorgen over te maken, maar omdat het niet van tijdelijke aard bleek te zijn ben ik er toch maar even mee langs de dokter gegaan.
De huisarts bekeek het en kwam tot de conclusie dat het inderdaad niet iets was om mij zorgen over te maken.
Kennelijk had ik mij toch wat meer ongerust gemaakt dan gedacht, want in de opluchting die volgde vergat ik aan de beste man te vragen wat het pukkeltje nu eigenlijk was.
In de maanden erna leerde ik overigens wel te leven met deze geringe aantasting van mijn uiterlijk. Iets wat mij tamelijk gemakkelijk af ging omdat ik in de gelukkige omstandigheid meen te verkeren dat mijn aristocratisch profiel van een dusdanige schoonheid is dat die een kleine oneffenheid als deze wel kan lijden.
Ook had ik niet bepaald de indruk dat mijn lieve echtgenote, die in deze heel wat kritischer is, zich ineens van mij begon af te keren.
Echter, een week of vier geleden begon het kleine ding te jeuken.
Dat bleek tevens een begin te zijn van explosieve groei.
Het ding kreeg uiteindelijk zelfs zodanige proporties dat mijn zelfvertrouwen, beslist niet gering, er onder begon te lijden.
Elke ochtend ging mijn eerste blik in de spiegel automatisch naar de rechterbovenhoek van mijn gelaat.
En ja hoor, het bleek geen boze droom. Hij zat er nog!
En was hij niet alweer wat groter?
Regelmatig probeerde mijn lieve vrouw me gerust te stellen door heel fijngevoelig op te merken dat, ook al werd het ding nog zo groot, er beslist niet nog meer afbreuk aan mijn schoonheid plaats kon vinden.
Toch heb ik afgelopen week de knoop maar doorgehakt.
Hoe vertrouwd inmiddels ook geworden, het ding moest weg. En het liefst zo snel mogelijk.
Nu die moeilijke beslissing eenmaal genomen was maakte ik ten tweede male een afspraak bij de huisarts.
Dat zo’n man nu juist op de lastigste momenten in mijn leven met vakantie gaat kan ik maar niet begrijpen. In plaats van de vertrouwde, tegen zijn pensioen aanzittende, vitale grijsaard moest ik het nu gaan doen met een vervanger.
Die vervanger bleek een niet onaantrekkelijk meisje te zijn dat qua leeftijd best mijn kleindochter had kunnen zijn.
Wat ze daar op de Medische Faculteit ook allemaal leren, doortastendheid behoort daar zeker toe. Daar waar mijn vertrouwde huisarts mij waarschijnlijk een verschrompelend zalfje had voorgeschreven en bovenal begrip zou hebben getoond indien ik van wat rigoureuzere maatregelen zou hebben afgezien, liet deze dame mij geen enkele ruimte om te kiezen.
“Dat wratje gaan we wegbranden!”, zei ze kort.
De schrik die op haar woorden volgde kon haar niet ontgaan zijn. Toch raakte ze daar niet echt van onder de indruk.
“Eerst even een klein prikje”, ging ze dapper verder.
Voor ik kon protesteren maakte ze de spuit al klaar.
Ik heb het niet zo op injecties.
“Is dat nu echt nodig”, protesteerde ik dan ook zwakjes. “Je schiet een fruitvliegje toch ook niet met een raket de lucht uit?”
Maar ook hier was voor een alternatief geen plaats.
“Inderdaad, echt nodig", merkte ze op, "Het middel verdooft maar zorgt er ook voor dat de bloedvaten verkleinen. De wond zal dan niet zo erg gaan bloeden.”
Gerust stelde ze mij hiermee echter niet. Want had ze het niet eerder over een wratje gehad? Nu had ze het ineens niet over een wondje maar over een heuse wond!
Was hier het middel niet veel erger dan de kwaal?
Maar het werd allemaal nog erger. Er kwam een soort soldeerbout op tafel te liggen.
“Maar eerst nog even dit”, riep ze en pakte een glimmende, metalen plaat, verbonden aan een dikke accukabel.
“Die moet contact gaan maken met de blote huid”, vervolgde ze.
Voor ik er op bedacht was schoof ze mijn broek iets naar beneden en plaatste de metalen plaat op mijn aldus ontblootte heup.
In gedachten prees ik mij gelukkig dat ik die morgen mijn wekelijkse verschoning een dag naar voren getrokken had.
“Het stinkt wel iets”, merkte ze op.
Nog steeds met mijn gedachten bij mijn ondergoed stond ik op het punt om pissig op te merken dat mijn vrouw toch echt een wasverzachter met seringengeur gebruikt.
Ze was me gelukkig net even voor.
Terwijl ze de soldeerbout pakte ging ze verder: “Net of het vlees op de barbecue aan het verbranden is.”
Ze boog zich met de bout naar mijn voorhoofd en inderdaad, onmiddellijk vulde mijn neusgaten zich met de lucht van verbrandend vlees.
Het was verder gelukkig vlug gedaan.
“Kijk”, zei ze en toonde mij het resultaat van deze slachtpartij. “Hier is hij dan!”
Dat, wat in de spiegel zo immens groot had geleken, lag nu als een verschrompeld kappertje op een tissue.
“Het heeft toch wat gebloed, zal ik er een pleistertje op doen?”, vroeg ze vriendelijk.
In gedachten zag ik mij echter al naar buiten lopen met op mijn voorhoofd een grote, witte flap met een Donald Duck of Mickey Mouse er op.
“Nee, dank u”, antwoordde ik dan ook gehaast, “Best wel stoer zo ….. net of ik zwaar gevochten heb.”
Opgelucht, en voor mijn gevoel of er kilo’s verwijderd waren, verliet ik even later de huisartsenpost.
De indruk dat op straat spelende kinderen nu niet meer angstig voor mij wegdoken werd even later geheel teniet gedaan door mijn vrouw, toen deze thuis het resultaat bekeek.
“Hmm, het heeft niet echt geholpen hoor”, klonk daar haar commentaar. “Je bent nog net zo lelijk als ervoor!”
En daar kon ik het dan weer mee doen.

Vertrek naar De Oost

Veel van mijn familie woonde van de 16de tot en met de 19de eeuw in de Amsterdamse Jordaan. Bij het onderzoek naar deze familie stuitte ik vaak op interessante gegevens. Het onderstaande verhaal gaat over ene Luer, die aan het begin van de 18de eeuw met zijn gezin in de Laatste Leliedwarsstraat woonde.

In het jaar 1710 vertrekt de dan 34 jaar oude Luer met een klein handelsschip van de VOC, kamer Amsterdam, vanaf Texel naar Ceylon. Er wordt veel handel met Ceylon (het huidige Sri Lanka) gedreven. De VOC haalt er voornamelijk kaneel vandaan, maar ook wel parels en ivoor.
Het is de eerste reis van Luer die op dat moment nog net geen twee jaar getrouwd is. Beide echtelieden komen uit de Jordaan. Luer uit de Tuinstraat en zijn bruid uit de Leliedwarsstraat. Op het moment van vertrek zal hij zijn jonge vrouw voor maar liefst vijf lange jaren in Amsterdam achterlaten om als opperkuiper op dat verre, warme eiland enig kapitaal te vergaren. Hun eerstgeboren kind is dan nog maar net een jaar oud. Luer is niet altijd kuiper van beroep geweest. Oorspronkelijk zat hij in de textiel en was hij droogscheerder van beroep. Bij de lakenbereiding moest hij met een grote schaar de uitstekende pluisjes van het doek afknippen zodat het weefsel een mooi en glad oppervlak verkreeg. Eentonig werk, waar je geen al te beste boterham mee kon verdienen.
Neen, als opperkuiper zou hij vast veel meer kunnen verdienen. Daar betaalde de VOC wel 16 gulden per maand voor, het dubbele van wat een matroos in die tijd verdiende. Kennelijk heeft Leendert op deze reis een best fortuin vergaard, want na zijn thuiskomst is er voldoende gelegenheid om zich te wijden aan zijn gezin. In totaal krijgt het echtpaar zes kinderen. De kindersterfte is echter groot en uiteindelijk zullen daar maar twee kinderen een volwassen leeftijd van bereiken.
Toch had het gezin na verloop van tijd toch weer wat gelden nodig. Luer liet zijn vrouw, hoogzwanger van het zesde kind, voor een tweede keer in Amsterdam achter en trad in 1723 opnieuw als opperkuiper in dienst bij de VOC. Naar Batavia ging nu de reis. Luer zou Batavia echter nooit bereiken. Nog voor aankomst bij Kaap de Goede Hoop werd hij ziek. Zo ziek zelfs dat hij aan boord zijn testament liet opmaken. Luer had op zijn reis namelijk behoorlijk wat waardevolle goederen meegenomen. Duidelijk met het voornemen om daar in de Oost zijn fortuin mee te gaan maken. Het meest kostbaar in zijn bezittingen was een rol laken van uitstekende kwaliteit.
Bij het opmaken van zijn testament benoemde Luer in aanwezigheid van enkele getuigen de kwartiermeester Dirk en de adelborst Gerrit als zijn executeurs. Hen werd opgedragen deze goederen na zijn overlijden te verkopen en de opbrengst aan zijn weduwe in Amsterdam te doen toekomen. Enkele dagen later, daags voor aankomst op de Kaap, blies Luer zijn laatste adem uit.
Zoals beloofd werd zijn bezit verkocht. Alles werd keurig netjes verantwoord. In totaal brachten zijn goederen maar liefst ruim 500 harde guldens op. Een heus kapitaal in die tijd. Voor bijna de helft nam de kapitein van het schip deze goederen over. Daaronder natuurlijk ook het waardevolle laken, dat alleen al ruim 200 guldens waard bleek te zijn. Tot zover ging alles zoals ’t behoort.
Helaas werd ook Gerrit de adelborst ziek. Direct na aankomst van het schip in Batavia werd hij opgenomen in het hospitaal aldaar. Dit mocht echter niet meer baten. Ook Gerrit verwisselde het tijdige voor het eeuwige.
Hier rook schipper Matthijs zijn kans om een extraatje te verdienen. Listig als hij was beweerde hij de betaling voor de goederen van Luer keurig aan de inmiddels overleden Gerrit te hebben voldaan. Dat deze betaling in de nalatenschap van Gerrit niet terug te vinden was vond hij niet zo gek. Ook in die tijd zal het bestelen der zieken en stervenden in het hospitaal wel geen vreemd verschijnsel zijn geweest.
Dirk, de andere executeur van het testament van Luer vertrouwde deze zaak echter niet. Het was hem allemaal wat al te toevallig. Bovendien, getuigen van deze zogenaamde betaling door de schipper bleken er niet te zijn. De hem toevertrouwde verantwoording ten dienste van de weduwe van Luer woog zwaar en in Batavia stapte hij dan ook naar het gerecht om schipper Matthijs alsnog tot betaling te dwingen.
De invloed van schipper Matthijs werd echter onderschat. Deze verzocht en verkreeg bij het gerecht uitstel van de behandeling van de zaak voor de duur van enkele weken, zodat hij zou kunnen bewijzen dat het geld toch echt door hem aan Gerrit was betaald. Een slimme zet, want vervolgens wendde de schipper al zijn invloed aan opdat kwartiermeester Dirk binnen dit uitstel vanuit Batavia moest vertrekken en daarmee uit het zicht van de rechtbank zou verdwijnen.
Dirk kwam medio 1725 van zijn reis in Amsterdam terug. De gelden die hij van de anderen wel ontvangen had keerde hij tegen ondertekening van een kwitantie aan de achtergebleven weduwe van Luer uit. Schipper Matthijs kwam pas in augustus 1728 in het vaderland terug. Een jaar later overleed de weduwe van Luer. De twee overlevenden van de zes oorspronkelijke kinderen bleven ouderloos achter. De diaconie nam de zorg van het oudste kind op zich. Dit kind, een zoon, kreeg hierdoor een passende opleiding en leerde er het vak van schoenmaker. Om deze opleiding te kunnen bekostigen heeft de diaconie nog uitgebreid onderzoek gedaan naar hoe het met de verkoop van de goederen van Luer was gelopen. Diverse getuigen werden door een notaris gehoord. Schipper Matthijs bleef echter bij zijn eerdere bewering dat het geld door hem aan de overleden Gerrit was betaald. Uiteindelijk kwam hij er mee weg door simpelweg over de beweringen van Dirk te stellen dat deze: “niet anders als louter leugens sijn wijs gemaakt en dat zoo danigh slagh van volck eijge is“.
Om de gewetenloosheid van schipper Matthijs naar juiste waarde te kunnen inschatten moet men zich vooral bedenken dat het overlijden van de man als kostwinner van een gezin, juist in die tijd, garant stond voor bittere armoede voor de achterblijvers. Daar waar Luer als opperkuiper bij de VOC al het kapitaal van 16 gulden per maand verdiende, kreeg een schipper maar liefst 72 gulden in de maand. Schipper Matthijs zal het geld dan ook wel veel harder nodig gehad hebben dan die onbetekende weduwe van Luer met haar twee kleine kinderen.
Dat het vaak de hoogsten binnen onze samenleving zijn die zonder enig last van hun geweten uit andermans bezittingen kunnen graaien is dus niet iets dat alleen maar tegenwoordig voor komt. Het is iets van alle tijden.

Enige verhoging

Ik voelde het gisterenavond eigenlijk al een beetje aankomen: een ietwat zere keel.
Dat komt, de scholen zijn weer begonnen en onze dochter zit in 't onderwijs.
Nu zult u zich af vragen wat het een met het ander te maken heeft.
Dat zal ik u uitleggen.
Kinderen, en dan vooral de wat jongeren onder hen, besmetten elkaar bij voortduring met allerlei soorten virusjes. De volwassenen die de grootste kans lopen om weer door hen besmet te worden zijn dan ook diegenen die in het onderwijs hun boterham verdienen.
Omdat de relatie met onze dochter goed is levert zij de door haar opgelopen virusjes op haar beurt weer keurig bij ons thuis af.
Alhoewel ik de nacht redelijk ben doorgekomen was het vanmorgen al gelijk duidelijk. Het was niet bij een zere keel gebleven!
Bij elke beweging van mijn hoofd trokken pijnscheuten door mijn brein. Mijn spieren voelden aan alsof ik de afgelopen week hele dagen in de fitness had doorgebracht en het leek wel of er sprake was van enige verhoging.
Ik besloot vandaag dan ook ziek te zijn en thuis het bed te houden.
Nu is zo'n besluit gemakkelijk genomen, maar het is daarna wel de kunst om dit geloofwaardig op je partner over te brengen. Als deze, in mijn geval, ook maar het geringste vermoeden heeft dat het allemaal wel mee valt krijg ik constant te horen dat mannen maar grote aanstellers zijn. Er volgt dan steevast de opmerking dat vrouwen zich nooit kunnen veroorloven om ziek te zijn en dat mannen zich maar gelukkig moeten prijzen dat het krijgen van kinderen uitsluitend aan vrouwen is voorbehouden.
Wil je als man dan ook een beetje kunnen genieten van het ziek zijn en de dag lekker lezend en TV kijkend in bed door brengen, dan kan het geen kwaad om af en toe de pijntjes en ongemakken ietwat overdreven aan vrouwlief kenbaar te maken. Toch ben je daar dan ook niet klaar mee. Het zou prettig zijn indien er in zo'n situatie in de ochtend en tussen de middag wat extra aandacht uit gaat bij het klaarmaken van het ontbijt en de lunch. Maar nee, integendeel moet ik helaas zeggen. Voor je ziek zijn word je dan gestraft met een kopje lauwe thee en een kaal beschuitje.
Vroeg in de middag ontstaat er bij mij dan ook steevast een welhaast ondragelijk hongerig gevoel. Uit ervaring weet ik inmiddels dat ik het tijdstip waarop ik aangeef mij een stuk beter te voelen niet te laat moet kiezen. Doe ik dat wel, dan gaat ook de avondmaaltijd geheel aan mij voorbij. Daarom kies ik er voor om al een uurtje na de armoedige lunch op te merken dat deze mij erg veel goed gedaan heeft. Nog een uurtje later gooi ik mijn benen buiten het bed en verschijn ik weer aangekleed beneden. Zo kan ik zonder al teveel protesten tegen de avond weer aanschuiven voor de warme hap.
Met een schoon geweten kan ik dan opmerken dat als wij mannen ziek zijn, wij ons niet zo aanstellen en gelukkig snel weer op de been zijn.

Ballou

Sinds ongeveer een maand hebben wij een hond.
Ik zeg hier "wij", maar degene die hem uit moet laten, dat ben "ik".
Nu wij beiden niet meer aan het arbeidsproces deelnemen en daarmee volop over tijd beschikken leek ons dat een goed idee. Het was mijn vrouw opgevallen dat, sinds ik met werken gestopt ben, mijn broeken in taillemaat steeds harder leken te krimpen. Toen het besluit genomen was kondigde zich weldra de komst aan van een zorgvuldig uitgekozen Duitse herderspup. Van het manlijke geslacht.
De fokker verplichtte ons een naam te kiezen, beginnend met de letter "H". Wij kozen voor de naam "Happy". Niet omdat hij zo gelukkig oogt, maar omdat hij buiten zijn slaapjes alleen maar aan eten lijkt te kunnen denken. Om die reden spreken wij zijn naam dan ook uit als "Hap-pie" en niet op zijn Engels als "Hep-pie".
Zonder dat ik daar veel inspraak in bleek te hebben werden onze taken met betrekking tot Happy eerlijk verdeeld. Mijn vrouw zou zorgen voor de voeding van het beestje en ik zou het begeleiden naar de nabij onze woning ingerichte hondenuitlaatplaats. Dit leek mij, gelet op de bijzonder mooie zomer van dit jaar best wel een goed idee. Nu, met het hondenweer van de laatste weken, denk ik daar inmiddels heel anders over. Wellicht later zal ik de mogelijkheid krijgen om het moment van uitlaten zelf te kunnen bepalen en daarvoor een moment kunnen kiezen tussen twee buien door. Bij een pup, net uit het nest, ligt dat voorlopig echter heel anders. Zo'n beestje zal haast elk half uur naar buiten moeten. Anders tref je dat wat voor de hondenuitlaatplaats bedoeld is gewoon op je tapijt. Volop werk voor mij dus. Om te illustreren hoeveel: ik heb er zelfs aan gedacht om de tijd die er voor mijzelf overblijft, tussen de uitlaatloopjes door, gewoon in huis mijn jas aan te houden.
Maar goed, Happy brengt ook veel goeds. Inmiddels ben ik samen met mijn nieuwe vriend een vertrouwde verschijning in de buurt aan het worden. Zo'n pup roept veel vertedering op bij anderen. Vooral bij vrouwen weet ik inmiddels uit ervaring. Niet dat ik daar erg veel mee opschiet, want de aandacht gaat geheel naar Happy. Ik krijg niet meer aandacht dan de vlooienband om Happy's nek. Alleen bij de hondenuitlaatplaats aangekomen duurt het wachten op wat komen moet soms erg lang en ziet men mij ook wel eens staan.
Zo heb ik onlangs daar het vrouwtje van Ballou getroffen.
Deze Ballou is een onooglijk boxerteefje met lange, rubberachtige kwijlslierten aan haar bek. Het beestje is de aanblik nauwelijks waard. Hoe anders is dit voor haar vrouwtje. Die mag met recht een prachtige verschijning genoemd worden. Ook is het erg gezellig praten met haar.
Afhankelijk van de aanwezigheid van Ballou met haar vrouwtje op deze plaats van bestemming duurt mijn uitlaatloopje met Happy soms dan ook aanmerkelijk langer dan de andere keer. Als hier thuis vragen over gesteld worden geef ik meestal ten antwoord dat de grote druk van Happy wat lang op zich liet wachten. Dat wordt geaccepteerd. Over Ballou en haar vrouwtje heb ik niets verteld.
Wat niet weet, wat niet deert toch?
Ik vertrouw er geheel op dat Happy zijn baas loyaal is.

Hommeles

Het is hommeles in huis.
Ik schijn weer alles verkeerd te doen.
Dat komt, mijn vrouw is jarig.
Neen, ik ben haar verjaardag niet vergeten. Dat is mij eens, in een ver verleden, ooit overkomen en heus, die fout maak ik niet nog een keer.
Al ruim een week voor haar verjaardag ging ik op zoek naar een mooi cadeau voor haar.
Nou ja, op zoek is wellicht iets te overdreven weergegeven. Ik vroeg haar wat ze voor haar verjaardag wilde hebben.
Krijg ik als antwoord: "Niks joh. Ik heb toch alles al."
Nou, met zo'n antwoord ben ik dan eigenlijk wel tevreden.
Kennelijk heeft ze het dan zo goed bij mij dat ze niets meer nodig heeft.
Of sterker nog, het enige dat ze echt hebben wil dat heeft ze al: mij!
Komt dus vanmorgen het moment dat we wakker worden en ik haar van harte feliciteer.
Zeg ik er nog bij dat je bijna niet aan haar kunt zien dat ze alweer een jaar ouder geworden is.
Vervolgens meld ik lief dat ze nog even mag blijven liggen omdat vandaag ik de koffie op bed zal brengen.
Tien minuten later kom ik dus met een dampende kop koffie bij haar terug. Maar in plaats van blij kijkt ze me verwachtingsvol aan en vraagt me waar haar cadeautje is.
Nou vraag ik je. Alsof ons gesprek hierover, afgelopen week, in het geheel niet heeft plaatsgevonden.
Wat kunnen vrouwen toch wispelturig zijn!
Zeg ik: "Ja lieverd, ik heb je toch gevraagd wat je hebben wilde. En toen zei je dat je niets wilde maar alles al had."
Krijg ik als antwoord dat dit niet betekende dat ze echt niets wilde hebben.
Nou, deze dag was dus goed begonnen.
Maar het werd nog erger.
Van je familie moet je het maar hebben. Vooral van je schoonfamilie trouwens.
Iedereen die vandaag op bezoek kwam vroeg natuurlijk: "En, vertel eens even, wat heb je van je man gekregen?"
Er bleek een hoop uit te leggen.
Ik zal jullie de blikken besparen die mij vervolgens toegeworpen werden.
Als het conservenblikken geweest waren dan had ik hier nu niet gezeten.
Gelukkig zit ik hier nog wel. Maar ja, dan wel alleen. Want ze ging net boos naar bed.
Voor ze de kamerdeur achter zich dicht knalde riep ze nog: "Als je maar niet denkt dat je voor jouw verjaardag nog iets krijgt!"
En daar kan ik het dan weer mee doen.
Maar het begrijpen? Neen, dat kan ik niet!

Ruud

Winkelen behoort niet echt tot mijn favoriete bezigheden. Maar er zijn van die momenten dat ook ik er aan moet geloven. Zoals deze week. Met de nadering van de verjaardag van mijn lieve echtgenote in het verschiet.
Ondanks de dreiging van een aantal stevige buien trok ik dan ook naar het plaatselijke winkelcentrum voor de aanschaf van een mooi cadeau.
De weergoden zaten niet echt mee en toen deze besloten hadden om recht boven mijn hoofd de nodige bakken met water leeg te gieten vluchtte ik de plaatselijke V&D binnen.
Daar wachtte ik in La Place, onder het genot van een cappuccinootje, een droger moment af. Bij de eerste slok koffie viel mijn oog op een man een paar tafeltjes verder. Hij kwam mij vaag bekend voor, maar ik kon er maar niet op komen waar ik hem precies van kende. Nu heb ik het wel vaker dat ik iemand meen te kennen. Vaak is het dan een persoon die lijkt op iemand die ik gezien heb op TV. In die richting tastte ik dan ook mijn herinneringen af. Daar werd ik echter niet veel wijzer van. Ineens, als in een flits, viel bij mij het kwartje en wist ik het zachtmoedige gezicht van de man te plaatsen. Dat dit gebeurde mag een klein wonder heten, want de laatste keer dat wij elkaar gezien hadden dateert nog uit de tijd dat wij beiden een jaar of zeventien waren. Toen de herinneringen zich aan mij opdrongen voelde ik mij er ineens ongemakkelijk bij. Ruud woonde in die tijd in dezelfde buurt als die waar ik als kind opgroeide. Samen met zijn ouders en een gehandicapte, oudere zus woonde hij in een straat achter de onze. Deze zus was, wat men in die tijd gewoon was een Mongooltje te noemen. Vaak was zij, al dan niet samen met haar broertje, op straat slenterend aan te treffen en het was deze herinnering die er de oorzaak van was dat ik mij zo ongemakkelijk voelde. Kinderen zijn wreed. Dat is nu zo en dat was ook toen zo. En ik zal daarop geen uitzondering geweest zijn, vrees ik. Regelmatig kwam het voor dat het meisje door de buurtkinderen gepest en getreiterd werd. Dan werd het arme kind uitgescholden en uitgejouwd. Vaak nam haar jongere broer het dan dapper voor haar op, maar hem wachtte dan een zelfde lot. Ik kon mij zelfs herinneren dat er wel stenen naar het stel gegooid zijn. Met de jaren werden we ouder en zal dit pesten minder geworden zijn. Tot we op latere leeftijd elk onze eigen weg gingen en elkaar uit het oog verloren. En nu, na al die jaren, was Ruud daar ineens weer.
In mijn jeugd was ik beslist geen lieverdje geweest en ik pijnigde mijn hersenen op zoek naar herinneringen die mij konden vertellen of ik in deze pesterijen een actieve rol gespeeld had. Ik wist het niet. In de schuimkraag die in de inmiddels lege kop was achtergebleven kon ik het antwoord op mijn vraag niet vinden. Plots werd mijn gepieker onderbroken.
“Dat ik jou na al die jaren hier moet tegen komen. Goed dat ik aanschuif?”
Een antwoord niet afwachtend schoof Ruud de stoel tegenover mij naar achteren en nam plaats.
Een onzeker gevoel maakte zich van mij meester. Ging hier een oude rekening vereffend worden?
Er volgde een gebruikelijke uitwisseling van beleefdheden zoals die plaats vinden tussen personen die nooit echt bevriend geweest zijn en elkaar na lange tijd weer tegen komen.
“En mooie gelegenheid om je na al die jaren eens te bedanken”, zei Ruud plotseling.
“Bedanken? Waarvoor”, stamelde ik.
“Wel, zoals je wellicht weet hebben mijn zus en ik nu niet bepaald een gemakkelijke jeugd gehad. We werden af en toe behoorlijk te grazen genomen in de buurt, kun je wel zeggen.”
Ik kon niet anders dan dit beamen.
“Maar waarom zou je mij moeten bedanken”, vroeg ik aarzelend. Ik vreesde het antwoord.
“Je hebt het ooit eens voor mijn zus opgenomen toen ze werd lastig gevallen door de grootste treiterkop van de buurt”, zei Ruud. Het klonk echt dankbaar.
Er viel een moment van stilte.
“Ik kan mij daar helemaal niets van herinneren”, antwoordde ik naar waarheid. “Hoe is het eigenlijk met je zus”, vroeg ik.
“Ze leeft al lang niet meer”, gaf Ruud te kennen. “Heel jong nog is ze overleden. Ze kreeg problemen met haar hart. Tweeëntwintig jaar is ze geworden.“
Het werd even stil. Het leek of de herinnering aan haar hem deed beseffen dat hij haar nog steeds erg miste. We spraken nog wat over vroeger.
Ruud verdween even plotseling als hij gekomen was. Hij moest nog naar een afspraak zei hij.
Hij liet mij min of meer in verwarring achter. Waarom kon ik mij het voorval, waarvoor hij zijn dankbaarheid wilde uiten, niet herinneren? Was het niet gebeurd? Verwarde hij mij met iemand anders?
De rest van die dag piekerde ik mij suf. Maar ook nu, dagen later, vraag ik mij nog steeds af of ik destijds wel genoeg gedaan heb voor Ruud en zijn zus.

De bovenfrees

Vroeger zag je in bedrijfjes wel eens een grappig bedoeld tegeltje aan de muur hangen met een tekst in de trant van:
“Onz sorvuldich en betrauwbaar perzoneel is alteit berijt om u te helepe.”
De juiste tekst kan ik mij niet meer herinneren maar ik moest ineens aan deze tegeltjes denken toen ik onze plaatselijke Gamma bezocht.
Nu ik met pensioen ben barst ik van de vrije tijd en ik heb dan ook een hoop hobby’s van vroeger weer opnieuw opgepakt. Bij het knutselen, dat nu ook weer op mijn belangstelling mag rekenen, liep ik echter aan tegen de beperkingen van mijn huidige gereedschap. Een leuk kastje was het doel waar ik voor ging en om zo’n meubeltje enigszins toonbaar in elkaar te timmeren moet je het houtwerk hier en daar van passend gleufwerk en een randje voorzien. Daar is een heel handig apparaat voor in de handel. Dat had ik echter niet en in de schuur van mijn buurman met zijn twee linker handen was het ook al niet te vinden.
Ik dus naar de Gamma met de bedoeling mijn verzameling gereedschap met een bovenfrees uit te gaan breiden. Nu heb je Gamma’s en Gamma’s. Je hebt ze groot en je hebt ze heel erg groot. Nu, die bij ons in het dorp mag er zijn hoor! Om van het begin van de zaak helemaal naar het andere eind te kunnen komen heb ik nog net geen fiets nodig. Alle kans dus dat hetgeen ik zocht daar wel te vinden zou zijn.
Toch bleek dat een iets te optimistische gedachte. Sommige paden liep ik er al voor de derde of vierde keer zoekend langs. Gelukkig ontwaarde ik bij het vak “met-spijkervet-geïmpregneerde-kopspijkers” een tweetal medewerksters die mij waarschijnlijk wel enige hulp op mijn zoektocht zouden kunnen bieden.
Erg druk hadden ze het niet. Ze stonden namelijk heel gezellig met elkaar te kletsen.
Nu heb ik van huis uit geleerd dat wanneer anderen met elkaar aan het praten zijn, je zo’n gesprek niet bruut mag onderbreken. Bij hen aangekomen wachtte ik dan ook geduldig af tot zich een gelegenheid voor zou doen om mijn vraag te kunnen stellen. Waarschijnlijk hadden ze elkaar al lange tijd niet gezien want het gesprek ging over hun vakantie en ze raakten maar niet uitgepraat over wat ze daar allemaal wel niet hadden meegemaakt.
Bij de overschakeling naar een geheel nieuw onderwerp vond ik het welletjes.
“Mag ik u iets vragen”, vroeg ik op mijn allerliefst.
Ietwat geërgerd keerde één der dames zich naar mij toe en nam mij zwijgend op. Ik vatte dit op als aanmoediging om eindelijk mijn vraag te kunnen stellen.
“Ik ben op zoek naar een bovenfrees”, ging ik verder.
“Oh, dat is Martijn zijn afdeling. Hij is op de tuinafdeling de watergieters aan het bijvullen”, kreeg ik te horen.
Daarmee was mijn vraag kennelijk voldoende beantwoord en kon het gesprek tussen de beide dames zich hervatten. Hetgeen aldus geschiedde.
Gelukkig wist ik wel waar de tuinafdeling zich in het pand bevond. Ik was er op mijn zoektocht al twee keer langs gekomen. Minder prettig was, dat ik bijna het hele pand weer door moest om Martijn daar met zijn gietertjes te kunnen vinden. Op de tuinafdeling aangekomen bleek Martijn een harde werker te zijn. De gietertjes stonden al op hun plaats en hij stond niet ver er vandaan de snoeischaren aan te vullen.
“Mag ik u iets vragen”, begon ik voorzichtig.
“Maar natuurlijk”, antwoordde Martijn.
“Ik ben op zoek naar een bovenfrees”, ging ik van start.
“Een wat?”
Martijn keek mij aan alsof ik hem een oneerbaar voorstel had gedaan.
“Eh …, ene … eh , … een bovenfrees”, stamelde ik, nu wat minder zeker van mijn zaak.
“Een bovenfrees ….. wat mag dat dan wel niet zijn?”
“Nou, een bovenfrees ….. dat is … eh …. een machine waar je gleuven en randen mee maakt.”
“In hout”, voegde ik er nog aan toe.
“Oh, u bedoelt een duwboor! ….. ik loop wel even met u mee.”
Ja, behulpzaam was hij wel Martijn, want opgewekt beende hij met mij in zijn kielzog naar de afdeling elektrische gereedschappen. Aan de andere kant van de zaak, dat wel. Daar, bij de stelling waar ik al minutenlang tevergeefs naar een bovenfrees gezocht had, toverde hij uit een door mij vergeten hoek een doos met zijn duwboor tevoorschijn.
“Alstublieft”, zei hij niet zonder trots.
Ik bedankte hem, oprecht gemeend, en ging in dezelfde stelling op zoek naar freesjes …, of … eh, duwboortjes zijn dat natuurlijk!
Martijn was inmiddels al weer onderweg naar zijn snoeischaartjes. Zonder verdere hulp vond ik ze, in een mooi houten kistje gerangschikt. De koning te rijk keerde ik even later met mijn nieuwe aanwinsten in huis terug. Nog maar net mijn jas uit trok in het woordenboek al uit de kast.
Martijn bleek zijn tijd ver vooruit te zijn. Het woord duwboor moest nog in een volgende druk worden opgenomen.
Toch was ik deze jongen best wel dankbaar. Hij had ondanks al zijn gebrek aan kennis toch de moeite genomen mij proberen te begrijpen en hetgeen ik nodig had zonder mokken voor mij opgezocht.

Oude agenda's

Al mijn hele leven lang ben ik, tot groot verdriet van mijn lieve echtgenote, een verzamelaar van zaken die een ander gewoon als rotzooi zou definiëren. Ik kan nu eenmaal heel moeilijk afstand doen van oude spulletjes. Vaak komen deze ooit nog eens van pas.
Als ik, meestal voor een ander, eens een bijzonder boutje, schroefje of ander vitaal onderdeeltje nodig heb, weet ik zo’n voorwerp, meestal al na enkele minuten zoeken, prompt uit al die oude rommel tevoorschijn te toveren. In dat geval natuurlijk alle lof voor mijn verzamelwoede en alom gelukkige gezichten om mij heen. Voor mij reden genoeg dus om met mijn verzameling door te gaan. Anderen zijn het gemak dat zij dank zij mij ondervinden helaas weer snel vergeten. Tot ze mij weer eens opnieuw nodig hebben natuurlijk.
Nu moet er geen verkeerde indruk van mij ontstaan. Ook bij mij wordt wekelijks de duobak tot aan de nok toe vol aan onze straat gezet. Maar toch ontdek ik in veel zaken van wat een ander zonder problemen weg kan gooien nog wel iets van waarde.
Over een flink aantal maanden gaan wij verhuizen en mijn vrouw is sinds het moment dat wij dit vorig jaar besloten hebben al van alles aan het regelen. Ook zij is een verzameling aan gaan leggen. Door haar worden allerlei nieuwe spullen aangeschaft die dan een tijdelijke plaats in ons toch al overvolle optrekje moeten vinden. Regelmatig moet ik dan met haar, onder de vermelding “voor het nieuwe huis”, van alles wat naar zolder brengen.
Zo was het afgelopen week ook weer eens raak.
Dozen vol poetsmiddelen, nieuw linnengoed, huishoudelijke artikelen en nog veel meer moesten door mij naar boven gesjouwd worden. Allemaal zaken die volgens mij ook best wel na of desnoods tijdens de verhuizing aangeschaft konden worden. Op zolder aangekomen deed zich vervolgens een probleem voor. Waar moest ik al deze dozen in vredesnaam laten? Bij mijn vrouw kwamen alle opgekropte ergernissen van de afgelopen tijd er in één keer uit. Hoe vaak had zij mij al eens gevraagd de bezem door mijn rommel te halen.
Om de lieve vrede te bewaren moest ik dus direct aan de slag om ruimte te gaan scheppen. Alle dozen, waarvan sommige overigens al menige verhuizing ongeopend mee hadden mogen maken, moesten geruimd worden. Dus bracht ik de rest van die dag op zolder door. Met moeite afstand nemend van het ene na het andere voorwerp dat ooit toch nog eens van pas had kunnen komen.
Toen ik na drie dozen geruimd te hebben de volgende open trok trof ik daarin naast veel andere rotzooi ook een twaalftal oude agenda’s. Ze waren nog van voor het computertijdperk.
In de jaren tachtig gebruikte ik van die forse agenda’s (14 x 21 cm) met per pagina een dag. Daarin noteerde ik naast alle afspraken ook wel, als in een dagboek, gebeurtenissen die mij ooit de moeite van het vastleggen waard geleken hadden.
Had ik mij gehouden aan de duidelijke instructies die mijn vrouw mij op mijn tocht naar zolder had meegegeven, dan had ik deze agenda’s ongeopend direct in de meegegeven vuilniszakken gedeponeerd.
Ik kon de verleiding echter niet weerstaan en begon te bladeren.
Het stapeltje vertegenwoordigde twaalf jaren van mijn leven. Een veelbewogen tijd bovendien.
In die periode was ik voor het eerst getrouwd, kwamen mijn eerste kinderen ter wereld, werd ik weer vrijgezel, kwamen mijn huidige vrouw en ik bij elkaar en werd ook mijn jongste kind geboren.
Dit alles in een stapeltje van nog geen twintig centimeter dik.
Uren zat ik vervolgens in de agenda's te bladeren.
Van weggooien kwam die dag niets meer.
Toen ik laat in de middag de zolder met slechts drie volle vuilniszakken verliet zaten daar de agenda’s niet in.
Ik liet ze, in een veilig hoekje weggestopt, op zolder achter.
Ook na de komende verhuizing zullen ze, zeker weten, hun plek in 't nieuwe huis wel vinden.

Denken aan seks

Ik ben geschrokken. Erg geschrokken zelfs.
Laatst las ik dat vrouwen gemiddeld meer dan tien keer per dag aan seks denken.
Kijk, dat had ik nu nooit achter vrouwen gezocht.
Ik probeer mij daar sindsdien dan ook een voorstelling van te maken.
Als eerste heb ik aan mijn vrouw gevraagd hoe vaak zij per dag aan seks denkt.
Van mijn vraag aan haar ben ik echter niet veel wijzer geworden. Ik kreeg als antwoord dat zij al vrij snel na onze huwelijksnacht niet één keer meer aan seks gedacht heeft.
Vervolgens heb ik op andere manieren getracht mijn nieuwsgierigheid te bevredigen.
Neem nu Paula. Zij is mijn collega en zit aan haar bureau recht tegenover mij.
Paula doet de loonstrookjes.
Omdat wij bij een redelijk groot bedrijf werken is ze daar de hele dag druk mee.
Paula is een gemiddelde vrouw. Niet te knap, niet te lelijk en van gemiddelde leeftijd. Dat wil zeggen 36 jaar oud, of jong zoals je wilt.
Gemiddelde vrouw, gemiddeld dus ruim tien keer per dag zou je dan kunnen zeggen.
Dat moet dan ongeveer één keer in, pak weg, de anderhalf uur zijn.
Sinds het moment dat deze statistische gegevens mij ter ore kwamen en ik van mijn eega niet veel wijzer ben geworden houd ik mijn collega Paula dan ook nauwlettend in de gaten. Ik doe de loonstrookjes niet en heb dus alle tijd.
Aldus probeer ik bij Paula het moment vast te stellen wanneer zij, geheel volgens de wetten der statistiek, aan seks denkt.
Nu zou dit een pervers trekje van mij kunnen verraden ware het niet dat mijn interesse in deze van puur wetenschappelijke aard is. In het betreffende artikel stond namelijk wel hoe vaak per dag maar niet hoe lang. Ik ben van mening dat ook die vraag een antwoord nodig heeft.
Terug naar Paula.
In de periode van de paar dagen dat ik haar nu bestudeer heb ik slechts één keer geconstateerd dat zij met een gelukzalige glimlach achter haar bureau zat.
Dit bleek echter loos alarm te zijn.
Net toen ik zeker dacht te weten dat dit het moment was waarop ik wachtte mompelde ze met volle mond "jij ook één?", en schoof ze mij een doos met chocolaatjes toe.
Sinds dat moment houd ik het maar voor gezien.
Of Paula is gelijk mijn vrouw, of Paula weet haar gedachten aan seks op voortreffelijke wijze te verbergen.
Toch eigenlijk best wel vaak, meer als tien keer per dag.
Wat dat betreft denken vrouwen dus veel vaker aan seks dan mannen.
Want mannen, kijk en dat weet ik dan zeker uit eigen ervaring, denken slechts één keer per dag aan seks.
Maar ja, die ene keer duurt dan wel de hele dag lang!